Archive for april, 2011

Steaming Hot & Killer Heels

We hadden een mooi en strak plan, mijn loopmaatje en ik. Utrecht lopen, de halve, de exacte reden weet ik niet meer. Het kan niet zijn dat we toen al wisten dat de Kenyanen waren ontmoedigd deel te nemen, en we eindelijk onze plaats op het erepodium zouden gaan opeisen. We hadden vast een goede reden ons aan te melden, maar eerlijk… ik zou het niet meer weten.

Eerder die week hadden we al contact. Zie je die temperatuur? Het wordt een wárme, wárme dag! Een starttijd om 14.00hrs is dan niet echt in je voordeel. En inderdaad. De organisatie van de Jaarbeursmarathon nam daags tevoren contact met ons op. Denk om een petje! Denk om water! Denk om UV-factor hoog-hoog-hoog want jongens, het wordt héét!

En zo vertrekken we naar de Domstad voor die Halve Marathon die we – waarom ook weer? – gaan lopen.

Bij aankomst komt de 10K net binnen. Knalrode hoofden. Alsof er een miss-verkiezing voor tomaten heeft plaatsgevonden. Ze kijken met ongeloof naar onze startnummers waarop “Brooks Halve Marathon” prijkt. “Jullie gaan nu nog lopen? Petje af! Het is echt té heet!”. We kijken een beetje trots. Ja, wij gaan nog starten. Het is wel warm. Maar we hebben alles bij ons. Zonnespul factor 50. Een petje. Drinkgordels met voldoende vulling. Bovendien zijn we uitgerust met onze G lucotabs, en daarop durven we alle Halve Marathons aan waarvoor we ons ingeschreven hebben. Dus Utrecht? Eg wel!

De Jaarbeurshal biedt ons verkoeling, een plek om nog wat te eten en te drinken, langdurig en vaak naar de wc te gaan en wat te shoppen bij twee dames die hippe hardloopkleding verkopen. Het is een superplek, die we met wat moeite verlaten om de zindere hitte in te stappen van het startvak, pal voor Hal 1. Om dood te gaan. Zo heet. Collega Jos twittert me nog dat hij na 5K op ons wacht, rechterzijde, bij de Meernbrug, gekleed in een rode polo. Ah. Fijn! Real-time supporters. Daar leven we naartoe!

Nadat het startschot heeft geklonken wordt het al gauw stiller en stiller. Het beton is moordend, de hitte laat m’n hartslag suizen in mijn oren, en dat is het moment waarop ik me realiseer (kilometer 1.39) dat ik nog een lange, lange weg te gaan heb. En als ik die gedachte eenmaal heb toegelaten knaagt er een stemmetje in m’n hoofd dat eerst mild fluistert: dit ga je dus mooi niet redden. Om na nog een kilometer in m’n oor te toeteren: DIT.GA.JE.DUS. MOOI.NIET. REDDEN! Gelukkig is de Meernbrug al in zicht, al is de weg erheen lang. Er worden geen grapjes gemaakt. Geen gesprekken gevoerd. Geconcentreerde koppies focussen op de weg. Is er al een drankpost in zicht? Hoeveel kilometers nog tot er schaduw volgt? Bomen? Wind? Vanuit de verte zie ik een rode polo, op rechts, de afgesproken plek. Je kunt van collega Jos zeggen wat je wilt, maar een man van afspraken is hij zéker, en dat is op dit moment in mijn leven zo fijn. En wat ben ik blij hem te zien! Jos! Hier! Ook loopmaatje Sari, totaal onbekend met deze collega, is zichtbaar blij met de rode polo. Na een korte high-five en bemoedigende woorden van Jos vervolgen we onze weg. Die drankpost moet hier toch echt wel ergens zijn?

Eenmaal de bocht om (en nog één, en nog één) komt dan eindelijk de drankpost in beeld. We vliegen aan op de kartonnen bekers (“Mogen we er twee???”). We vullen onze drankgordels met koel water en gaan opnieuw op pad. Ik had nooit zo’n groen beeld van Utrecht, maar dat moet ik nodig bijstellen: we komen langs een prachtige route met veel groen, veel water en vooral, en misschien kleurt dat mijn beeld voorgoed, het meest meelevende publiek dat ik ooit  tegen kwam bij een hardloopwedstrijd. Overal staan sproeiers buiten, hebben mensen emmers en teilen gevuld met drinkwater. Op verzoek word je natgespoten, je mag zelfs de sterkte van de straal nog afsmeken. Hoe tegenstrijdig het ook mag klinken, de hartverwarmende ontvangst koelt ons pas écht goed af. Een zuchtje wind doet de rest. Dat er van een goede tijd geen sprake meer kan zijn mag dan al duidelijk zijn, maar hey, een miss-wet-t-shirt-verkiezing win ik op m’n sloffen. Dat geldt overigens ook voor de wedstrijd miss-wet-pants, want na een tiental sproeiinstallaties ben ik werkelijk doorweekt. De sfeer zit er goed in, Sari en ik zijn vrolijk en krijgen het zélfs nog voor elkaar een jongedame met doorzettingsproblematiek met ons mee te krijgen. Hoezo je kan niet meer? Je gaat nú toch niet opgeven? Hell no! Het ergste heb je gehad! (En dan moeten we nog 9 kilometer…).

Utrecht heeft mijn hart gestolen. En dat alles door een halve marathon onder barre omstandigheden. Op mijn niet zo finest hour gespot door een studente bij de waterpost. Drama. En wat heb ik een leed gezien onderweg. Oververhitte lopers die op zwart gingen. Ambulances, infusen, isolatiedekens: the works. Te veel, te vaak. Maar dat is allemaal niet meer zo belangrijk. Ook over onze tijd gaan we het maar niet hebben. Highly overrated. En ook niet over die kramp die me op een kilometer van de finish deed braken van de pijn. Een stemmetje in m’n hoofd dat eerst fluisterde: je gaat nu niet stoppen hoor! Om daarna in m’n oren te toeteren:
EN.ALS.JE.NU.NONDEJU.NIET.GAAT.LOPEN.DAN.DOE.IK.JE.WAT!
Nee. Gaan we het niet over hebben.

Maar over Utrecht, het groen, het water, en vooral: het publiek: daar gaan we het nog lang over hebben. Het was een waar feest, daar in de stad!

             

En nu is het dinsdagochtend. Het gaat goed, voel ik. M’n rug is niet gebroken. En die kuiten, ja die staan wel wat strak, maar het is goed te doen. Over m’n teennagels kun je discussiëren. Pijnlijk is misschien niet het goede woord, maar zéér doen ze toch. Best. Wel. Ik kan bukken, ik kan rekken. En ik loop, voor de toeschouwer die een lichte oogafwijking heeft, best soepel. En dus doe ik een dappere poging tot killer heels. Want ik hou van hakken. Ze maken m’n kuiten… nou ja, killer heels máken de kuiten. Met een korte kreun trek ik m’n stoerste, mooiste en allerhoogste paar onderuit de kast. Half hangend op de bedrand duw ik mijn gekneusde teentopjes in hakken waarvoor ik normaliter m’n hand niet om zou draaien. Maar goeie god, wat doet dit zeer.

Als Kleine Veters mijn slaapkamer binnen komt, de situatie overziet en zijn wenkbrauwen optrekt, ben ik de situatie al niet meer meester. Hij kent het al. Hij weet dat ik in stilte lijd. En dat ik te trots ben om dat toe te geven. Met een kort knikje naar de vetste schoenen van de wereld licht hij zijn hielen: “Ik zou het niet doen. Als ik jou was.” Hij kijkt nog even over zijn schouder “…Maar het zijn jouw voeten….” Rotjoch. Altijd gelijk. Trefzeker kegel ik mijn schoenen terug de kast in. All Stars onder een rokje? Volgens mij is het mode. Met ingang van nu.

Leave a comment »