Got toenails?

Ik zag het net toen ik in bad ging. Je moet weten, ik had een flink stuk gerend, dus ik had wel recht op zo’n waterhete omhelzing van mijn sterk afgekoelde lijf.  Rillend stroopte ik m’n tights af, altijd lastig als die nat is van de regen en de modder. M’n voeten rood van de kou. En toen zag ik het. Hij hing er een beetje slapjes bij. Zo van “aan een draadje”, zielig, het einde nabij. Ik bukte me voorover, m’n voet op de badrand. Er was geen lievemoederen meer aan. Met een kort rukje trok ik ‘m uit z’n bed en droeg ‘m ten grave naar de prullenbak, voorzien van een theatraal  ta-da-dada-ta-dadadada-dadaaaaah….

Toen ik nog maar net was gestart met hardlopen, was ik heimelijk jaloers op de taal die de échte lopers gebruikten. Ze wisselden tips uit over kleding, ondergoed, tepelpleisters, uitharden van voeten, wat te doen bij peesplaatblessures en het correcte gebruik van compressiesokken. Dat ik het blokje nog niet om kon rennen zonder amechtig te hijgen was een teken bij uitstek dat ik never-nooit-nie bij ze zou horen. Maar wat zou ik graag met ze meepraten. Vertellen over hoe de compressiesokken me bevielen. Hoe mijn teennagels het stuk voor stuk hadden begeven bij het rennen van de zoveelste halve marathon. Dat zoogcompressen misschien wel dé oplossing waren in de strijd tegen geschuurde en gehavende tepels. En dat kampferspiritus echt highly ondergewaardeerd was en een prachtig hulpmiddel was ter voorkoming van blaren. Mijn goed ontwikkelde gevoel voor “ken je plaats in de groep” maakte dat ik wijselijk mijn mond hield. Deze conversatie was way over my head.

Inmiddels zijn we vele kilometers verder. Ongemerkt ben ik opgeschoten van een absolute beginner tot een redelijk ervaren loper. Hou me ten goede: ik loop áltijd achteraan. Vraag van mij geen snelheid. Denk niet dat ik de Kenianen naar de kuiten bijt. Maar éénmaal opgestart kan ik blijven lopen. ‘Type dieseltje. Of zwarte kip. Lekker langzaam, lekker lang. Punt is, dat je niet zover kunt lopen zonder ook last te krijgen van ongemakken. Mensen zijn namelijk niet gemaakt om belachelijk ver te rennen. Heb je het geitje bijna te pakken, werp je speer, dood het, eet het op. Klaar. End of story. Geen voorloper van de huidige mensenstandaard sloofde zich zo uit om uiteindelijk een stuk metaal aan een touwtje om de nek te kunnen hangen. De tragiek van de competitieve mens.

Terug naar de ongemakken… als ik in mijn loperskudde kijk, zijn er blessures galore. Van bilspieren die bij de minste inspanning in de hens lijken te staan tot arthrose in knieën, van oprispende maagzuren tot brandende peesplaten, van hielspoor tot shinsplints, er is een hoop ellende te bespeuren in mijn sport. Om nog maar niet te spreken van specifieke vrouwenkwalen: om de haverklap moeten plassen vanwege die zwakke blaas, pijnlijke borsten ondanks de betonnen sportbh’s die van iedere vrouw een jongetje weten te maken, pijn in de onderrug die meer dan killing wordt bij afstanden waarover je langer dan een uur loopt. Maar wat een echte hardloper typeert is dat een beetje pijn meer of minder ‘m niet uitmaakt. Daar loop ik wel doorheen. En het wonderlijke is: door de meeste pijntjes en ongemakken kún je ook heen lopen. Geef het een uurtje, bijt even flink op je tanden, probeer vooral even niet te vóelen, en lóóp, lóóp, lóóp!

Dat hardlopers ver kunnen gaan, soms té ver, blijkt uit het aantal uitgemergelde renschoenen dat na een marathon kokhalzend over de hekkens hangt. Er wordt niet gepauzeerd bij één van de vele mobiele toiletten die unterwegs te vinden zijn: laat maar lopen! Nu stoppen = tijdverlies = het aan flarden vliegen van een beoogd PR op deze afstand! Eens vond ik op mijn vele struintochten op het web deze foto:

In eerste instantie moest ik erg lachen. Het zal je gebeuren. Maar het drama hier is zoveel groter dan het leedvermaak dat ik voelde bij de eerste keer dat ik deze foto zag. De eerste reacties? Beláchelijk! Doe je toch niet! Maar deze jongen laat precies zien wat fanatieke hardlopers typeert: de drive om door te gaan no matter what… Het gaat wel over, het zal wel zákken, het wordt wel béter, nog even en je ziet er níets meer van. Of ie er zelf helemaal in gelooft weet ik niet: de blik op z’n gezicht spreekt boekdelen, en ik vermoed dat hij zelf ook wel waarneemt dat ie enorm stinkt. Maar het verlies van decorum is geen reden z’n droom op te geven. Over die thin blue line zal hij uiteindelijk overwinnen. Wie? Zichzelf waarschijnlijk. En al z’n imaginaire draken en demonen die ‘m achtervolgen. Hij zal er komen, die medaille om z’n nek voelen, en uiteindelijk vergeten dat hij ooit zo heeft gelopen. Iedereen weet dat je soms iets moet verliezen om te kunnen winnen. Overigens: de foto is gebruikt voor een “inspirational poster”, geheel volgens Amerikaanse standaard, voorzien van het onderschrift: Believe & Succeed. Hij geloofde er in. En het werd een succes.

Nu beginnen mijn teennagels het te begeven. Eén heeft ontslag genomen, de rest zal snel volgen. Het zal afzichtelijk zijn, als ik m’n teenslippers aan heb. Prachtige gelakte nageltjes had ik. En dan is er nu in ieder geval al één verdwenen, en die teen is nu voorzien van een mengeling van huid met nieuwe nagel. Het ziet er niet uit. En eigenlijk vind ik dat heel erg. Maar het hoort er bij. Teennagels is voor woossies. Dee dat geen pijn, vraagt zoonlief met een beetje een vies vertrokken koppie, afkeurend wijzend op dat stumperige teentje. Nee, zeg ik stoer. Daar voel je eigenlijk helemaal niets van.

PS: het verhaal van deze marathonloper is te vinden op deze site >http://mixmakers.net/other/my-first-marathon-experience/

 

Comments (1) »

Silly Running Addict

De dag begon beroerd. Slecht geslapen na een avond van krampen. Vroeg in bed gekropen, maar dat hielp weinig. Tegen de ochtend viel ik pas in slaap. Om er om half 8 achter te komen “dat ik nog wel een half uurtje mocht soezelen”. Ja, dát werkt dus niet. Dus om tien over half 9 schrok ik wakker: shit! Verslapen! In noodtempo mijn boterhammen gesmeerd, omgekleed, gewassen, auto gepakt om vervolgens het sportcentrum in te rennen. Ik was er. Net op tijd.

Vandaag heerlijk gelopen. Mijn zondag-ochtend-duurloop. Het begon nogal benauwd: warm weer, flink bewolkt, hoge luchtvochtigheid. Nog maar net aangeland bij de warming up na een minuut of 10 inlopen en ik was al bezweet. Het loopgroepje is flink uitgedund: er zijn nogal wat vakantiegangers en de zondagochtend is dan niet het meest populaire moment om vroeg uit de veren te gaan voor een loopje. Maar ik wás er, en het voelde heerlijk. Mijn loopmaatje was er ook, en met haar is het altijd goed converseren. Of het nu om melige flauwekul gaat of om serieuze onderwerpen: met haar is het altijd fijn lopen. Bovendien is ze een fantastische tempo-maker. Zeer consequent in de gekozen snelheid. Soms valt die me zwaar, maar eenmaal in haar cadans kan ik het hardlopen lang volhouden. 

Maar goed, deze zondagochtend dus. Terwijl de eekhoorns en de mieren nog enigszins wazig herstelden van het beukenotentaartenfeest dat ze tot diep in de nacht hebben gevierd (vrij naar Toon Tellegen) liepen we daar, in die benauwde hitte. Een paar honderd meter verwijderd van Het Kraantje Waarnaar Je Kunt Verlangen (bij het zweefvliegveld) floot de trainer voor rechtsaf. Hey! Uh! Wacht! Hij bleek onverbiddelijk. Geen kraantje; réchtsaf. Ik sukkelde wat mopperend door, maar na een poosje begon ik dan toch weer steeds makkelijker te lopen. Het dooie punt voorbij. Ja. Het was warm. Ja. Het was benauwd. Ja. Het was heerlijk om op dit moment door het bos te mogen hollen terwijl de rest van Nederland nog in zijn bed lag te stinken.

Ik heb al eerder met lof gesproken over de functies van een loopgroep. En als je zo’n groep opdeelt in individuen, dan heeft iedereen wel iets waardevols in te brengen.  We hebben bovendien allemaal dit gemeen: een passie voor het rennen. Bij de één wat groter dan bij de ander, maar die wens om daar op een zweterige zondagochtend te staan, gold in ieder geval vandaag voor ons allemaal. En dat terwijl er warme comfortabele bedden, heerlijke landerige ontbijtjes met stápels kranten en tuinen vol onweerstaanbare aantrekkingskrachten waren die de concurrentie stevig aangingen met onze loopwensen. Hulde! Driewerf Hulde voor dit setje Stoere Bikkels!

Er is één Stoere Bikkel, hij noemt zichzelf een Silly Walker, die hier wat nader toelichting behoeft. Hij noemt me een Drama Queen, en eigenlijk zit hij er (soms) niet eens zo ver naast. Hij is dol op renrokjes, maar eigenlijk begrijp ik niet waarom. Hij leest al mijn blogs, al is hij de enige in de hele wereld. En hij is een absolute running addict. Ik verzin dit niet. Het staat zelfs op z’n shirt. Ik ken ‘m nog niet zo lang, deze Silly Bikkel. Het selecte clubje “Berlijngangers” (halve marathon, april 2009) beleefde een goede voorbereiding, gezamenlijk, en de busreis gaf wat verrassende invalshoeken op personen die ik eerder slechts kon herkennen aan hun schoenzolen. Zo ook met deze malle bikkel. Die z’n kuitbeen brak tijdens een training, maar toch doorliep (ben je dan een bikkel of niet?), maar die ook tussen alle kwinkslagen door wat zachtere kanten van zichzelf durfde te laten zien. Hij zat me flink op mijn huid, vanochtend, en ik had ‘m gewaarschuwd: ik zou hem wel eens flink aanpakken – in tekst, want daar ben ik beter in dan in terugkaatsende opmerkingen die opvallen vanwege hun adremmiteit. Maar eigenlijk kan ik dat niet. Hem tekstueel op z’n nummer zetten. Dat zou een beetje silly zijn. Want alle individuen in mijn loopgroep voegen iets toe aan die sport die ik zo leuk vind. En dat geldt ook voor hem: deze beetje naïeve, pret-ogende malle kwinkslagende loper, die zo mogelijk nog erger verslaafd is aan rennen dan ondergetekende. Als dat z’n ergste zonde is, dan hoop ik dat ik nog lang mag kijken naar zijn schoenzolen, dat hij me met grote regelmaat terug “op-lus-t” en dat we allebei nog maar veel plezier beleven aan die samenbindende factor: rennen tot je erbij neervalt.

Hey, silly running addict, als je dit leest, dit gaat over jou. 🙂

Comments (1) »

Nectar & Ambrozijn, Ezels & Stenen

Me vandaag weer eens laten verleiden tot een dag van slecht eten. Of beter: niet eten. Na het ontbijt niets meer gegeten; met mijn metabolisme is dat geen goed idee. Dat zou ik moeten weten. En eerlijk gezegd: dat wéét ik ook. Ik voel het aan alles. Tegen twaalven stond ik eigenlijk al op mijn grondvesten te schudden, maar de doos met koekjes op het secretariaat bracht uitkomst. Eéntje dan. En een spekkie. Want als er één ding is waar ze op mijn werkplek goed voor zorgen, dan is het wel voor de inwendige mens die snakt naar allerhande zoete rotzooi.

Ik had me voorgenomen nog iets te eten, deze middag. Maar net dat éne moment dat het goed uit kwam was ik verdiept in de vele mails die nog op me lagen te wachten na een paar dagen afwezigheid. En ik ken mezelf. Passeer ik dat momentum waarop mijn lijf zich duidelijk roert (IK-HEB-HONGER!) dan hoef ik daarna ook niets meer. De honger verdwijnt en ik kan uren verder gaan zonder dat er ook maar een knaagje door mijn maagje trekt (vrij naar I’m so rumbly in my tumbly van Winnie the Pooh).

Maar dan moet je níet gaan hardlopen. En al mijn zinnen stonden bij het opstaan al naar rennen. Eindelijk! Het liefst vér en heel hard. Dus trok ik om vijf uur met zorg mijn wonderslofjes aan, gooide mijn tassen in mijn auto en wég was ik – nadat ik nog een extra glucotabje had weggezogen, want ergens voelde ik wel aan dat dat niet helemaal goed zat met mijn bloedsuikerspiegel.

Ik had het kunnen weten. Ik wist het. Natuurlijk wist ik het. Na een korte sprint úit de parkeergarage knalde ik de hete zon in. En dat terwijl ik de dag in de airco had doorgebracht. De hitte sloeg me als een moker in mijn nek. Even wennen, dacht ik nog, terwijl ik de bomen van de Erasmuslaan in het vizier kreeg. Zometeen loop ik in de schaduw, dan gaat het vast beter. Het prachtig aangelegde nieuwe rode fietspad zag er aanlokkelijk uit: dwars door een prachtig bomendecor. Aan het eind van de Erasmuslaan stond ik met een bonkend hoofd tegen een boom aangeleund. Zwarte sterretjes? Of zwarte sneeuw? In ieder geval iets met zwart en het ruiste erg in mijn oren. Oef. In een wat rustiger tempo hervatte ik mijn dribbel, maar de St Anna had alléén maar een gemeen heet zonnetje voor me in petto. Leuk als ik hier tegen de keien zou gaan, in het zicht van Jan en Alleman, bedacht ik me nog.

Het zou mijn eigen schuld zijn. Ik ken het belang van goed voedsel. Van tijdig eten. Van meerdere maaltijden, verspreid over de dag. Ik heb niet héél veel reserves, dus niet eten en dan je lijf aan een inspanning onderwerpen in de klakkende zon is niet wijs. Dat is me eerder overkomen. Ook toen ging ik tegen de vlakte. Sommige mensen leren nooit van de fouten die ze maken. Ik schaar me met liefde en plezier onder die categorie. Deze ezel kan zich rustig nog een paar keer fiks verwonden aan die zelfde goeie ouwe steen. Leg ‘m daar maar neer, ik raak ‘m vanzelf nog wel eens.

M’n loopje heb ik braaf uitgelopen. Let wel: op mijn tandvlees, en slechts het schamele aantal van 5 luizige kilometers. Ik had honger, ik had dorst, ik had het snot voor ogen. Ben meteen in mijn auto gestapt en naar de Appie gereden. Om een fikse maaltijdsalade. Een flink stuk geitekaas. Een liter yoghurt. Want een lijf moet je onderhouden. Al ben ik geen Goddess, je lichaam heeft verzorging nodig. Godenvoedsel. Eten. Fruit. Vitaminen. Water. Zórg. En ik mag in mijn handjes knijpen dat dat in mijn leven zo rijkelijk voorradig is.

Over het belang van voeding voor hardlopers bestaan diverse sites.
Op Run The Planet vind je informatie over hydration.
De site How to be fit geeft je een overzicht van de juiste voedselinname bij het hardlopen.
Als je RUNNING, HYDRATION, NUTRITION invult in google, word je overspoeld door alle sites die zich bezig houden met sport en voeding. Zeker een avondje browsen waard.

Maar eigenlijk komt het allemaal hierop neer: gewoon je gezond verstand gebruiken.

Alleen voor noodgevallen: glucotabs. Snelle suikers voor als die hongerklap je echt in your face raakt. http://www.glucotabs.nl/

Comments (2) »

Moonwalking

Ik heb een solistische job. Mijn eigen “winkeltje” waar jonge mensen, op zoek naar oneindig goede raad, mijn duiventil binnenvliegen om vervolgens meer of minder tevreden, al of niet voorzien van goede of wijze raad, weer buiten te gaan. Natuurlijk spreek ik collega’s, we werken samen aan projecten, maar de meeste uren van mijn tijd breng ik zonder ze door. Van tijd tot tijd vind ik dat jammer; de contacten met studenten hebben een zuiver professionele basis en soms voelt het als een gemis dat er niet wat meer communicatie is tussen onderwijzende staf en begeleiders/coaches. Zeker na een dag van zware gesprekken kan het soms lekker “uitwaaien” zijn als je je verhaal kwijt kunt. Waarover dat verhaal dan ook gaat. Maar je hoofd leegmaken gaat ook perfect tijdens een stevig duurloopje. En dat komt dan wel weer goed uit.

Het vergroten van mijn sociale netwerk is niet de enige reden waarom ik voor een hardloopgroep heb gekozen, toen ik besloot te gaan leren rennen. Ik merkte al gauw dat ik minder gemotiveerd ben als ik op mijn uppie loop. Me zo bewust van alle pijntjes die je hebben kunt, een zere teennagel, een knie die opspeelt, een te hoge ademhalingsfrequentie, het randje van je rits onderaan je tight dat langs je been schuurt. Er kunnen zulke kleine drama’s ten grondslag liggen aan het vroegtijdig afkappen van je duurlopen – als je alleen loopt. Maar ze zijn er in alle soorten en maten, en komen vooral veel en vaak voor.

Lopen met een groep heeft een aantal grote voordelen. Er is ineens een stok achter de deur. Hoewel niet wordt overgegaan tot hinderlijke stalking, enige sociale controle is er zeker wel. (Weet jij waar die-of-die is gebleven? Die heb ik al een paar weken niet gezien! Zal eens een mailtje sturen….)  Je kunt tegen je loopmaatjes niet oneindig lopen zeuren over die belachelijke pijntjes die je achtervolgen. Groepsgewijs hardlopen betekent ook een betere conditie: er wordt wat afgekwekt tijdens de duurlopen (eerlijk is eerlijk, de intervaltrainingen verlopen een stuk stiller!).  En er passeren behoorlijk wat onderwerpen de revue. Zo hoorde ik vandaag nog over een “zeer religieuze” in ons midden, die wel wist wat voor muziek er bij de verhalen uit de Bijbel moesten horen. En ook: wie Milly Scott kende, zo’n vraag waarvan je de oorsprong niet kent, hij wordt ineens de groep ingegooid en wie het weet mag het zeggen. Nu wist ik dat Milly Scott een zangeres was “uit de oude doos”, dus ik kon volmondig JA roepen. Verder wist ik me geen enkel liedje van haar te herinneren, wist ik niet of ze nog leefde en of ze van Nederlandse of andere afkomst was. Mijn bijdrage bleef beperkt.

Alle fenomen worden besproken in mijn loopclub. Wedstrijden waar we naartoe trainen, drankgordels die wél lekker zitten, haarbanden die je hoofd niet in een squeeze nemen die je alle hersenactiviteit ontneemt, goeie sokken, slechte sokken, het nieuwe vriendje van die-en-die, hoofdluismaatregelen en geblesseerde tepels. You name it. Het mag je duidelijk zijn dat alle onderwerpen aan bod kunnen komen tijdens onze duurlopen: we zijn ruimdenkend en bovendien zeer nieuwsgierig naar al het lief en zéker het leed in onze wereld en die van anderen.

Nu is mijn leed deze week niet écht groot, maar wel behoorlijk pijnlijk. En dat had álles te maken met het overlijden van Michael Jackson. Ik hoor het je denken, nog zo’n old school fan, zo’n vrouw die nooit boven die puberverliefdheid op dit idool is heengekomen. Nu-uh. Zo zit het niet.  Ik was namelijk nooit fan van MJ. Dat hield ik altijd hartstochtelijk vol, me driftig door een genuine jaren 80 punkperiode heenslepend. Ik was van de hárde muziek – en eigenlijk is dat nooit overgegaan. MJ was voor woossies, van die meisjes in roze twinsetjes die iedere dag hun benen insmeerden met nivea, etuitjes met geurende pennen en dito gummetjes van Fiorucci uit hun Oilily schooltassen toverend. Yugh!

Maar goed. Ik dwaal af. MJ dus. We hoorden ‘m al twee weken op de radio, op de televisie. Ik heb Billy Jean nooit mee kunnen zingen – en dat frappeert me, aangezien er eigenlijk maar een paar zinnen aan songtekst is, die zich ook nog steeds laten herhalen.  Mijn tienjarige zoon, die MJ alleen kent vanwege de Earth Song (prachtig, I must say), probeert aan de hand van de clips op YouTube de passen te immiteren. Nu is daar enige souplesse voor nodig. Na veel oefenen is hij eindelijk een aantal bewegingen meester. Ik ben dólblij dat hij zich nog niet obstinaat in zijn kruis grijpt om vervolgens suggestieve bewegingen vanuit de heupen te gaan maken…. hij kopieert slechts de kuise moves.

Omdat ik MJ toch eigenlijk wel zelf heb meegemaakt, vind ik dat ik een streepje voor heb op het imiteren van het voetenwerk van deze superster. Na een How-To instructie op internet voer ik als een smooth criminal een moonwalk uit. Echt, ik zweer het je, het ziet er gelikt uit. Als ik de trail zie op www.eternalmoonwalk.com , dan kom ik er nog niet zo slecht vanaf. Maar er is nog iets wat ik kan. Of kon. Of eigenlijk nooit gekund heb, maar stug volhield dat ik het kon. MJ kan op de toppen van zijn tenen staan, als op spitzen, knieën vooruit, kin op de borst, hoed diep over één oog. Het ziet er zo glad uit op plaatjes. En dus deed ik het voor. Op de tegels, zonder spitzen. Stom-stom. Dat had ik kunnen weten. Met een harde knak zakte ik door mijn dubbelgevouwen teentjes. Ku-hút. Aijj-godnondemiljaardedju. Zoonlief keek me meewarig aan. Hij zei niks, maar ik zag ineens zo’n donkere denkwolk boven z’n hoofd… “Ja hoor mam, je kúnt het… écht waar”. Ik strompelde naar de bank om daar mijn wonden te likken en “Zo ongeveer moet het” te mompelen. We hebben het verder maar niet meer over MJ gehad en mijn Kleine Man oefent z’n MJ-imitatie wijselijk op zijn kamer. Er zijn zaken die je beter niet met je moeder kunt overleggen.

Tijdens de zondagochtendloop knal ik, het is geen kwade opzet, minstens 5 keer met die gekwelde tenen tegen een boomwortel. Bij iedere stap bijt ik manmoedig op mijn onderlip, maar als ik na die vijfde keer ook nog eens struikel over een achtergebleven kassei kan ik een pijnlijk gekreun niet onderdrukken. “Tisser?” vragen m’n co-loopies geïnteresseerd. Ze ruiken lont; ze ruiken lééd. Een enkeling kijkt al om, in afwachting van een verhaal over bloedende blaren, akelig geagiteerde achillespezen of mekkerende middenvoetsbeentjes. Met lichte zelfspot, ik kan het niet ontkennen, vertel ik het verhaal over mijn dappere pogingen de King of Pop te imiteren. Natuurlijk om mijn zoon een beetje cultuur bij te brengen. Ze kijken me meewarig aan. Yeah right! En misschien is dat nog wel de meest waardevolle functie van mijn loopgroep. Groepsgewijs stampend houden ze je met beide benen op de grond met een relativeringsvermogen waar iedere stugge Zeeuw of Grunninger een puntje aan zou kunnen zuigen. We doen maar gewoon, want zelfs daarin zijn we al gek genoeg.

Hoe het verder ging met mijn tenen? Ik durf het hier wel te vertellen. Eigenlijk kan ik alleen nog pijnloos achteruit lopen. Zachtjes glijdend op mijn sokken, met zo min mogelijk buiging van mijn tenen. Je zou het moeten zien: op de keper beschouwd een perfécte moonwalk.

Gelukkig heb ik een zittend beroep.

Comments (3) »

Rain down on me

Muziek is belangrijk voor me. In alle schakeringen die mijn karakter kent, klinken bijpassende tonen. Ik heb een hoofd vol woordjes, zinnen, refreinen, coupletten, afkomstig uit een leven lang muziek luisteren.  Als ik mijn losse veters eenmaal heb gestrikt voor een duurloopje, gaan de onvermijdelijke dopjes op mijn oren en loop ik mijn rondje terwijl de mooiste ritmes door mijn hoofd denderen. Want dat doet mijn muziek meestal wel als ik hardloop: flink dénderen.

Vandaag is zo’n loopdag. De regen komt al sinds vanochtend onophoudelijk met bakken uit de lucht. Er lijkt vooralsnog geen eind aan te komen. Aan de einder is het nog net zo grijs-grauw als boven mijn hoofd. Vandaag heb ik een boze dag. Dat gebeurt wel eens. Dat er van alles fout gaat. Waar ik in de meeste gevallen zelf de hand in heb gehad. Een niet zo goede hand. Zo’n dag dus. In plaats van me verder met het hele arsenaal aan stokken te slaan, heb ik besloten een uur goed te gaan lopen. Goed moe worden, zodat ik de wereld daarna weer in vol perspectief kan zien. Terwijl ik de deur achter me sluit, petje op, wonderslofjes aan, klik ik mijn mp3 speler aan. Ik weet precies waar ik starten moet. Een nummer dat me droevig stemt, kwaad maakt, dat me in volle vaart laat starten tot ik naar adem happen moet. Dinand Woesthoff zet in….

I’ve been running trough this town
I’ve been combing every street
I’ve been searching for the reason within reasons
Been searching for the higher ground in me

And I’ve been trying to surrender
To trust in every word
All my days in misery
Someone could have taken them from me….

Tak-tak-tak, snelle voeten scheren over stoepen, stoepranden, fietspaden, oversteekplaatsen, vluchtheuvels. Rennen Vaal, rénnen. Let it all just rain on me… yeah!

Na 4 minuten racen tegen de klanken van Kane hijg ik uit tegen een hek. De koude lucht scheert pijnlijk langs mijn luchtpijp. De neiging om te kokhalzen kan ik amper onderdrukken. Na een minuut ben ik weer een beetje bij zinnen en zap ik door tot een wat ren-vriendelijker nummer. Skip-skip-skip, nog ééntje van Kane. Vrolijker, lekker snel, m’n voeten jagen de stoeptegels na.

I’ve got something to say,
When it feels right,
I’ll take the rough ride
And trust the hearts guide,
Oh I know,

So many places to go,
I tell you when it feels right,
I’ll choose the dark nights,
Over the daylight,
Oh I know.

Het regent nog steeds, maar met dit nummer lijkt het net of de zon een wak in dat wolkendek probeert te kraken. Onzin natuurlijk, het regent nog net zo hard, mijn petje is nu al doorweekt en de druppels vinden hun weg langs het randje van de klep naar beneden. Maar de muziek vindt z’n weg naar de mooiere kleuren van mijn gemoed. Ik laat de stad achter me en loop een bospad in. De grond is verzadigd van zoveel hemelwater, een jeep heeft van de plassen vette modderpoelen gemaakt. Ik probeer wat te springen, links-rechts, links-rechts, maar als ik éénmaal een plas vol heb geraakt, besluit ik om dan maar gewoon dwars door de zut heen te gaan. En het voelt heerlijk, spetters tot hoog boven mijn hoofd. Het wit van mijn sokken is na een paar honderd meter diep gaan niet meer te onderscheiden. Een paar langzame nummers dienen zich aan. Hell no! Ik spoel gauw door, skip-skip-skip tot ik 3Door Down vind: KRYPTONITE. Mijn benen gaan sneller en sneller, mijn passen worden langer, ik spring-ren door de modder, onverslaanbaar, supersterk, het lijkt wel of ik vlieg…

 If I go crazy then will you still
Call me Superman
If I’m alive and well, will you be
There holding my hand
I’ll keep you by my side with
My superhuman might
Kryptonite !

Zo langzamerhand tekent zich een vette grijns af op mijn gezicht. Als ik met mijn tong langs mijn lippen ga proef ik zout zweet en modder tegelijk. Dit is geen afzien meer. Ik ben een klein uur aan het rennen en ik voel me heerlijk. Mijn bovenbenen voelen vermoeid aan, maar het rakelings over stronken en boomwortels scheren geeft me een oppermachtig gevoel. Ik probeer dwars door het bos van het ene pad naar het andere te lopen, schielijk tussen brandnetels schietend, bukkend onder laaghangende takken door, het kan me niets meer schelen. De enige muziek die ik hoor is die van mijn ademhaling, zwaar en gejaagd, kreunend als ik spring, alle kracht zit in het trotseren van de paden, de obstakels, de grenzen van mijn eigen lijf. Als ik op het volgende pad kom, dringen Hall & Oates zich aan me op. Ik moet hard lachen. Precies het goede moment! She’s a maniac… Yep, she is.

There’s a cold kinetic heat
Struggling stretching for the peak
Never stopping with her head against the wind

She’s a maniac, mániac on the floor….

Ik mag dan niet het lijf van Jennifer Beals hebben, in mijn beleving ga ik met evenveel vuur tekeer als zij in Flashdance deed.

Op de laatste klanken van Hall & Oates struikel ik het bos uit. Ik moet lachen om mijn eigen klunzigheid. Iedere boomstam gemist en nu ga ik op het laatst half onderuit. Over mijn kuit sijpelt een straaltje bloed. Frons mijn wenkbrouwen. Huh? Ik heb het niet gevoeld. Mijn hoofd was leeg, mijn lijf was hard aan het werk. Geen tijd voor flauwekul. Hier Werd Gerend.

Een dribbeltje terug naar huis. Maria Mena begeleidt me, liefelijk zingend:

All this time,
All this time,
You have had it in you,
You just sometimes need a push….

De hemel scheurt open en een stortbui is mijn deel. Ik drijf. Lachend. Het is oké zo. Ik kan er weer tegen.

Leave a comment »

Ren(-je-)Rot-Rokje

Ik zag ze al een poosje, de renrokjes. Ze hadden al een eigen stek op het web verworven, en gingen in de VS al een paar jaar in grote getale over de toonbanken. Had er al helemaal een beeld van, zo’n vrouw die dan half bezweken uit zo’n pashokje komt drijven, driftig trekkend aan het rokje dat maar niet over haar knieën wil. En dan zo’n all American shop meisje, dat over-enthousiast (naar Europese maatstaven) op haar af komt lopen, handen als in opperste verrukking om haar mond “Girl, you just look really, really, réally stúnning in that skirtsy running outfit”.

Inmiddels zijn ze ook ruimschoots in Nederland te koop, die renrokjes. Op de site Hardlooprokjes.nl staan renrokjes galore. Alle variaties, met of zonder lange broek eraan, met een kleurtje of in stemmig zwart. Zeg me wie je bent en ik vind een passend renrokje voor je. Maar goed. Nu heb ik ook zo’n ding. Zo’n renrokje. Niet omdat het zo “kek staat”, zoals in een blog voor hardlopende mama’s te lezen staat. Laat dit duidelijk zijn: hardloopkleding staat nóóit kek. Wie verzint het nu om in een broek die als een maillot om je billen zit door de bossen te gaan rennen. Dat de stoffen technisch beter zijn dan een wolletje of een katoentje, dát begrijp ik. Voor de afvoer van mijn stinkende lichaamssappen, soit, om te zorgen dat ik lekker droog blijf – al zweet ik als een rund, helemaal prima. Er zijn argumenten voor. Bovendien zorgt de strakke tight ook voor compressie, en dat is weer goed voor de prestatie. Hoe beter die compressie is verdeeld, hoe sneller je gaat. Het houdt, zeg maar, je spieren beter bij elkaar. En soms zie ik inderdaad wel eens iemand in een wijde wapperbroek door het bos hollen en ik moet je zeggen, dát is géén rennen. Het ziet er niet uit, maar vooral: het is géén rennen. Die kan bést wat compressie gebruiken. Zal ik maar zeggen.

Sinds de komst van mijn renrokje zijn de meningen niet van de lucht. Het maakt wat los, die hardlooprokjes. Opvallend is dat me vooral wordt gevraagd naar de reden van mijn aankoop. En die is eenvoudig. Nu de temperaturen weer naar recordhoogte stijgen, heb ik met grote regelmaat behoefte aan zo min mogelijk stof op mijn lijf. Te heet, te heet, ik ga bijna in katzwijm. En je begrijpt, dát rent natuurlijk helemaal voor geen meter. Om die reden heb ik een superdun hemmetje gekocht van Nike. Zo licht, dat je niet eens voelt dat je het aan hebt. Het ademt perfect en drijft binnen een mum van tijd het zweet van mijn rug af. Super.

Voor het onderlijf heb je naast de wapperende korte exemplaren (échte hardloopbroekjes, maar daarvoor moet je op z’n minst voor 50 % Kenyan Running Diva zijn, anders zie je er namelijk sowieso belachelijk pretentieus uit) ook de strakke korte running tights. Zo heeft Adidas ze van een vlotte 3-band voorzien voor deze zomer, in florissant rood. Maar mijn billen, gehesen in zo’n broekje, het zíet er niet uit. Elk bobbeltje, putje, poging-tot-neiging-tot-cellulitis: je ziet er álles in. Omdat ik me daarin hoogst ongemakkelijk voel, probeer ik mijn behind te camoufleren met een groot shirt. Maar bigshirts zijn al geen mode meer sinds de jaren 80, en die zijn we nu toch écht ruimschoots gepasseerd. Zelfs in retro-style hebben we die mode al lang en breed achter ons gelaten.

Maar dan. Met zo’n rokje, hé. Zo’n renrokje neemt het zicht weg op al die voor mij onoverkomelijke zichtbaarheden waarvan ik wil dat ze ongelooflijk ongezien blijven. Gehesen in zo’n superstrakkie is mijn hele outline te bezien voor ieder oog dat er op valt, en dat geeft me een naakt gevoel. Als ik me in al mijn hardloop-ongemakken ook nog moet gaan bezig houden met de aanblik van mijn achterste, dan kom ik al helemaal niet meer vooruit. “Oh”, zei een hardlopende vriendin, die zich had gemeld voor een rondje door de stad. Ze bekeek zich in de spiegel. “Als jouw kont dan niet om aan te zien is, wat moet je dan wel niet van míjn kont vinden. Want ik ben dikker dan jij. En ik draag altijd van die broekjes”

Daar begint dat hellend vlak. Dat je iets zegt, iets dat alleen over jezelf gaat, op niemand anders betrekking heeft, en vervolgens wordt het ingelijfd en heb je ogenschijnlijk vanuit het bijzondere ook een mening over het algemene, in casu “alle konten gestoken in strakke korte tights”. En ik zei nog “Ja maar…”. En ik probeerde nog “Maar ik bedoel…” en ik heb getracht het lot af te wenden met “Nee, je begrijpt me verkeerd…”. Maar dat was al mooi te laat. Met een duidelijk hoorbaar afkeurend gegrom verliet ze m’n slaapkamer.

Natuurlijk liep ze me eruit, die avond, op ons rondje stad. Ik had de tong op mijn tenen. Happend naar adem vroeg ik nog of ze wat lángzamer kon gaan. “Ik…red….’t …. ff …. niet” fladderde ik erachteraan. Maar ze was vastbesloten me haar voetzolen te laten zien. Of d’r kont. Het zou d’r wat. Ren je maar rot. Ze zal het zeker gedacht hebben. Jij met je rotrokje.

Leave a comment »

Runner’s Block

Zo’n zonovergoten zondagochtend. Met m’n loopkluppie in het bos. De grond is gortdroog en bezaaid met vergeelde dennenaalden. Het stof stuift hoog op als we kris kras over de bospaden trekken. Naast me loopt een collega-loper, incognito en vanaf heden in deze blog opgevoerd als Benny. Z’n schoenen glimmen me tegemoet. Nagelnieuw en bepaald geen impulsaankoop. 8 jaar heeft hij met zijn schoenen gedaan. De demping moet vergelijkbaar zijn geweest met de comfortvering van een Trabant uit 1958. Dat hij er afstand van heeft kunnen doen is een wonder. Na zo’n tijd treedt er onherroepelijk een hechting op die z’n weerga niet kent. Van schoenen ga je hóuden. Die gaan een beetje bij je horen. Al die kilometers die er onderdoor zijn gevlucht, die gooi je niet zomaar weg, die hang je niet zomaar aan de wilgen.

7 maal om de aarde

Enfin, Benny dus, met kakelvers schoeisel. Hij is goed loopgezelschap. De vorige posts van Losse Veters heeft hij inmiddels ook gelezen.  Zwoegend door een steeds verzengender hitte praten we over iets wat ons allebei boeit: schrijven; hij over sport, ik verhalend, fictief. Over een constante schrijfproductie, redactie en deadlines. Onder de woordenbrij schuiven onze schoenen over denneappels en losse steentjes. De schoenen van Benny krijgen een aardige vuurdoop. Het gesprek komt op een akelig onderwerp. Writer’s Block. De no-go-area van elke schrijver. Het afglijden in een diep dal vanwaar je de randjes niet meer kunt zien. We schudden een rilling van ons af. Gelukkig. Is ons nog nooit overkomen. We hebben woorden zat, hoewel onze kelen akelig droog geraken en de zon vals op onze schouders schroeit.

Thuisgekomen spoel ik het zand van me af en installeer me met een bruine boterham met kaas in de hangmat. Het is mijn lievelingsplek en absoluut dé stek om 1. een goed boek te lezen 2. in slaap te vallen of 3. die bijzondere momenten uit je dag te overpeinzen. Ik denk na over wat we zeiden, over Writer’s Block, en tel mijn zegeningen nog eens na omdat ik blij ben dat ik in volledige samenwerking met mijn toetsenbord nog steeds over aardig wat verbaal geweld beschik. Geen zorgen dus. De zon speelt een spel met de wolken en langzaam zak ik steeds verder weg, en slaap in het groen dat me omringt.

Met de zon op mijn oogleden zak ik weg in een akelige droom waarin ik loop en loop, de weg kwijt raak in het bos, helemaal alleen, en vervolgens ergens in val, een enorme put, diep-diep-diep. Er komt geen eind aan dat vallen. Dan schrik ik wakker. Pfoe. Ik schud mijn droom uit mijn gedachten. Stel je toch eens voor, dat je op een dag niet meer kunt hardlopen. Niet geblesseerd, want blessures gaan over, met rust en aandacht, en dan kun je weer beginnen met opbouwen. Nee, dat het op een dag gewoon óver is met de liefde. Dat die passie die me in het bloed lijkt te zitten op een dag besluit het bijltje erbij neer te gooien. Hardlopen? Bekijk het maar… We doen het niet meer!

Die gedachte laat mijn hart een keer overslaan. Ik moet er niet aan dénken! Elke dag waarin zich een moment voordoet van “diep dal” denk ik aan mijn hardloopschoenen. Ik heb de animale behoefte om te schrijven, ik kán niet zonder, maar datzelfde geldt evenzeer voor het rennen. Te lang niet rennen betekent een opeenhoping van loopbehoefte, wat resulteert in een zeer chagrijnige Vaal. Over no-go-area’s gesproken. Zover wil je het echt niet laten komen. Rennen behoort tot mijn primaire driften, zoiets als het stillen van honger en dorst, de onderste laag in de Piramide van Maslow. Basaler kan niet.

De gedachte aan een Runner’s Block doet me ondanks de zomerhitte rillen. Het zal toch niet… dus plan ik mijn agenda vol met duurloopjes om te genieten van dat wat me het meeste raakt: de kinetische energie in mijn benen. Of, in formule (als rasechte alfa toch altijd weer een uitdaging):     E_k=\tfrac12 m v^2
Ik wil alles tellen, mijn zegeningen, de dennenaalden in het bos, het aantal hectometerpaaltjes over de hele wereld, maar laat me in Godsnaam rennen. 7 maal over de aarde. En terug. Met liefde en plezier. Desnoods op de oude schoenen van Benny.

Leave a comment »